Stephaan Margodt, auteur van 'Het jongetje dat de messen telde'

Het jongetje dat de messen telde – Fragment #2

‘Het jongetje dat de messen telde’ is een intelligente, grappige, maar ook wat duistere roman. Over een jongetje van elf met Asperger, dat voor zijn verlopen, labiele moeder moet zorgen. Over halveliterblikken bier, een schietkraam, een lintworm, een kruik urine… en negen witte kruisjes. Hieronder vind je een tweede fragment uit de roman:

In de garage vind ik een spade en een houweel. Volgens mij zijn er maar weinig gezinnen die een houweel in huis hebben. De meeste gezinnen hebben dan ook geen hondenkerkhof in de tuin.

Ik trek laarzen aan. Pep me op voor het karwei. De grond is als beton. Met het houweel breek ik de bevroren aardkorst open. Hoewel het ijzig koud is, zwoeg ik me in recordtempo in het zweet. Ik hak als een bezetene met het toch wel zware werktuig. Bijna verlies ik mijn evenwicht. Soms zwaai ik het gevaarte tot op een fractie van mijn rug.

Zou nogal wat zijn: met een houweel in mijn lijf in een zelfgedolven grafkuil tuimelen.

Met de spade boord ik een rechthoek af van een meter twintig op tachtig. En begin te delven. Met halve spadesteken. Ik snijd door regenwormen en engerlingen. Tot op de bleekgele, vette kleilaag. En dieper. Ik hoop op een piratenschat of een arche-ologische vondst. Helaas, ik vind niets dan aarde en nog eens aarde. Geen goudader, geen kimberliet.

Mijn labrador volgt mijn labeur met de snoet plat op de grond. Hij ziet me zwoegen op de stek rechts van de negen witte kruisjes. Naam noch datum. Volledig blanco. Schamele nagedachtenis aan de moordzucht van mijn moeder.


   Fragmenten

Het jongetje dat de messen telde – Fragment #2

        1 oktober 2019

‘Het jongetje dat de messen telde’ is een intelligente, grappige, maar ook wat duistere roman. Over een jongetje van elf met Asperger, dat voor zijn verlopen, labiele moeder moet zorgen. Over halveliterblikken bier, een schietkraam, een lintworm, een kruik urine… en negen witte kruisjes. Hieronder vind je een tweede fragment uit de roman:

In de garage vind ik een spade en een houweel. Volgens mij zijn er maar weinig gezinnen die een houweel in huis hebben. De meeste gezinnen hebben dan ook geen hondenkerkhof in de tuin.

Ik trek laarzen aan. Pep me op voor het karwei. De grond is als beton. Met het houweel breek ik de bevroren aardkorst open. Hoewel het ijzig koud is, zwoeg ik me in recordtempo in het zweet. Ik hak als een bezetene met het toch wel zware werktuig. Bijna verlies ik mijn evenwicht. Soms zwaai ik het gevaarte tot op een fractie van mijn rug.

Zou nogal wat zijn: met een houweel in mijn lijf in een zelfgedolven grafkuil tuimelen.

Met de spade boord ik een rechthoek af van een meter twintig op tachtig. En begin te delven. Met halve spadesteken. Ik snijd door regenwormen en engerlingen. Tot op de bleekgele, vette kleilaag. En dieper. Ik hoop op een piratenschat of een arche-ologische vondst. Helaas, ik vind niets dan aarde en nog eens aarde. Geen goudader, geen kimberliet.

Mijn labrador volgt mijn labeur met de snoet plat op de grond. Hij ziet me zwoegen op de stek rechts van de negen witte kruisjes. Naam noch datum. Volledig blanco. Schamele nagedachtenis aan de moordzucht van mijn moeder.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.