Auteur Stephaan Margodt - Het jongetje dat de messen telde

Van een oude debutant en de schrijvers die voorbijgaan

Stephaan Margodt

Halverwege de vijftig nog debuteren, je moet het maar doen. Begin juni was het zover. Toen zag mijn debuutroman, ‘Het jongetje dat de messen telde’, het levenslicht. De zwangerschap duurde langer dan een ezeldracht en dat het kind alsnog werd geboren, tart alle wetten van de kansberekening. Ik heb het geluk gehad dat al mijn voorouders zich konden voortplanten, dat ik die ene spermatozoïde uit miljoenen was die de eindmeet wist te bereiken en dat ik de juiste persoon op het goede moment tegenkwam: Jeroen Bernaer van Matador Uitgeverij.

Zoals zoveel andere mensen ben ik op jonge leeftijd beginnen te schrijven. Ik publiceerde kortverhalen in diverse tijdschriften en was een prille dertiger toen ik aan het grote werk begon: een heuse roman schrijven. ‘Verloren brood’ kreeg van Manteau een redelijk positief leesverslag, maar werd door de lector net niet geschikt voor uitgave bevonden. Ik beschikte onmiskenbaar over veel talent en moest verder blijven schrijven. Desondanks kreeg mijn zelfvertrouwen een knauw. Ik dacht dat ik nooit van mijn pen zou kunnen leven en kroop in mijn schelp.

Twintig jaar verder. Ik ben blijven schrijven, maar de drang om te publiceren was compleet zoek. Tot een nieuwe vrouw in mijn leven het vuur weer wist aan te blazen. “Iedereen kan beweren dat hij kan schrijven. Bewijs het maar eens. Bovendien, wat stelt een schrijver voor zonder lezers?” Ik was in mijn wiek geschoten. Na een jaar was ‘Het jongetje dat de messen telde’ af. Ik liet het typoscript proeflezen door een aantal vrienden. Ik trok mijn stoute schoenen aan en schakelde ook een aantal auteurs in om het te lezen: Geertrui Daem, Christophe Vekeman, Marijke Arijs en Herman Brusselmans. Hun superlatieven stemden mij euforisch. Ik verstuurde het typoscript naar de grote uitgeverijen in Vlaanderen en Nederland. Vol verwachting…

Wat was er loos? Reacties bleven uit. Sommige uitgeverijen stuurden een bevestiging van ontvangst en daar bleef het bij. Een aantal liet weten dat ze een overvloed aan manuscripten binnenkregen en dat het wel een paar maanden kon duren vooraleer het mijne de nodige aandacht zou krijgen. Ik vond het zo bot. Geen enkele motivering waaruit ik daadwerkelijk kon opmaken dat het was gelezen, kwam mijn kant op. Twijfel stak de kop op…

Tot dame Fortuna op het toneel verscheen. In de krant was me een artikel opgevallen over een nieuwe uitgeverij. ‘We willen resoluut op zoek gaan naar jonge, soms ook minder jonge, literaire talenten en die een kans geven. Literatuur in Vlaanderen is niet dood, maar straks wel als we de grote uitgeverijen laten doen. Met Matador Uitgeverij willen we laten zien dat er een andere wind mogelijk is.’ Nog voor ik de uitgeverij kon contacteren, was Jeroen Bernaer in de Gentse boekhandel Limerick opgedoken en zaakvoerder Gert Brouns, die mijn typoscript had gelezen, maakte van de gelegenheid gebruik om het aan te prijzen. Jeroens interesse was geprikkeld en zo ging het balletje aan het rollen. We troffen elkaar een eerste keer in ‘De trein der traagheid’, beklonken het contract in café Monopole en na vele maanden intense samenwerking was ‘Het jongetje’ panklaar voor de drukpers. Ik was behoorlijk zenuwachtig bij de boekvoorstelling, de zaal zat afgeladen vol. Maar het interview, het voorlezen en signeren, verliepen voortreffelijk. Het was ver na middernacht toen ik opgelucht en voldaan de oranje neonletters boven de zaal in het vizier kreeg: ‘Alles van waarde is weerloos’. Lucebert. Het jongetje was de wijde wereld in. Ik had het niet langer in de hand.


Van een oude debutant en de schrijvers die voorbijgaan

  Stephaan Margodt      11 juli 2019

Halverwege de vijftig nog debuteren, je moet het maar doen. Begin juni was het zover. Toen zag mijn debuutroman, ‘Het jongetje dat de messen telde’, het levenslicht. De zwangerschap duurde langer dan een ezeldracht en dat het kind alsnog werd geboren, tart alle wetten van de kansberekening. Ik heb het geluk gehad dat al mijn voorouders zich konden voortplanten, dat ik die ene spermatozoïde uit miljoenen was die de eindmeet wist te bereiken en dat ik de juiste persoon op het goede moment tegenkwam: Jeroen Bernaer van Matador Uitgeverij.

Zoals zoveel andere mensen ben ik op jonge leeftijd beginnen te schrijven. Ik publiceerde kortverhalen in diverse tijdschriften en was een prille dertiger toen ik aan het grote werk begon: een heuse roman schrijven. ‘Verloren brood’ kreeg van Manteau een redelijk positief leesverslag, maar werd door de lector net niet geschikt voor uitgave bevonden. Ik beschikte onmiskenbaar over veel talent en moest verder blijven schrijven. Desondanks kreeg mijn zelfvertrouwen een knauw. Ik dacht dat ik nooit van mijn pen zou kunnen leven en kroop in mijn schelp.

Twintig jaar verder. Ik ben blijven schrijven, maar de drang om te publiceren was compleet zoek. Tot een nieuwe vrouw in mijn leven het vuur weer wist aan te blazen. “Iedereen kan beweren dat hij kan schrijven. Bewijs het maar eens. Bovendien, wat stelt een schrijver voor zonder lezers?” Ik was in mijn wiek geschoten. Na een jaar was ‘Het jongetje dat de messen telde’ af. Ik liet het typoscript proeflezen door een aantal vrienden. Ik trok mijn stoute schoenen aan en schakelde ook een aantal auteurs in om het te lezen: Geertrui Daem, Christophe Vekeman, Marijke Arijs en Herman Brusselmans. Hun superlatieven stemden mij euforisch. Ik verstuurde het typoscript naar de grote uitgeverijen in Vlaanderen en Nederland. Vol verwachting…

Wat was er loos? Reacties bleven uit. Sommige uitgeverijen stuurden een bevestiging van ontvangst en daar bleef het bij. Een aantal liet weten dat ze een overvloed aan manuscripten binnenkregen en dat het wel een paar maanden kon duren vooraleer het mijne de nodige aandacht zou krijgen. Ik vond het zo bot. Geen enkele motivering waaruit ik daadwerkelijk kon opmaken dat het was gelezen, kwam mijn kant op. Twijfel stak de kop op…

Tot dame Fortuna op het toneel verscheen. In de krant was me een artikel opgevallen over een nieuwe uitgeverij. ‘We willen resoluut op zoek gaan naar jonge, soms ook minder jonge, literaire talenten en die een kans geven. Literatuur in Vlaanderen is niet dood, maar straks wel als we de grote uitgeverijen laten doen. Met Matador Uitgeverij willen we laten zien dat er een andere wind mogelijk is.’ Nog voor ik de uitgeverij kon contacteren, was Jeroen Bernaer in de Gentse boekhandel Limerick opgedoken en zaakvoerder Gert Brouns, die mijn typoscript had gelezen, maakte van de gelegenheid gebruik om het aan te prijzen. Jeroens interesse was geprikkeld en zo ging het balletje aan het rollen. We troffen elkaar een eerste keer in ‘De trein der traagheid’, beklonken het contract in café Monopole en na vele maanden intense samenwerking was ‘Het jongetje’ panklaar voor de drukpers. Ik was behoorlijk zenuwachtig bij de boekvoorstelling, de zaal zat afgeladen vol. Maar het interview, het voorlezen en signeren, verliepen voortreffelijk. Het was ver na middernacht toen ik opgelucht en voldaan de oranje neonletters boven de zaal in het vizier kreeg: ‘Alles van waarde is weerloos’. Lucebert. Het jongetje was de wijde wereld in. Ik had het niet langer in de hand.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.